127. Mon amant de Saint-Jean (1942) - Lucienne Delyle

 Lucienne Delyle (Parijs, 16 april 1917 – Monte Carlo, 10 april 1962) was een Franse zangeres.

Ze werd in Parijs geboren als Lucienne Henriette Delache. Ze studeerde farmacie en zong al als amateur en werd in 1939 ontdekt. In 1940 huwde ze met jazzmuzikant Aimé Barelli. Met hem kreeg ze dochter Minouche Barelli. In 1942 had ze een grote hit met Mon amant de Saint-Jean en werd zo één van de populairste zangeressen van het land. Ook in de jaren vijftig was ze nog steeds populair.

X38%20Lucienne%20Delyle

In 1953 werd ze samen met Gilbert Bécaud uitgenodigd om het openingsconcert voor het gala in de Olympiade in Parijs in te luiden. Tegen het einde van de jaren vijftig leed ze aan leukemie en haar carrière ging snel bergafwaarts. In 1960 gaf ze een laatste serie concerten in de Bobino-muziekhal. Ze stierf in Monte Carlo in 1962 aan de gevolgen van leukemie.

MUZIEKNOOT Mon amant de Saint-Jean is een chanson uit 1942 dat een enorm succes was. Het vertelt de liefde zonder een toekomst van een meisje die valt voor een verleider. De teksten zijn van Léon Agel en de muziek van Émile Carrara.

De eerste versie van het lied werd in 1937 uitgebracht onder de titel Les Barbeaux de Saint-Jean en later als Mon costaud de Saint-Jean, gezongen door Jane Chacun. Maar het haalt het publiek niet, waarschijnlijk omdat de teksten te populair worden gevonden. In 1942 herschreef Léon Agel het nummer onder zijn huidige titel en Carrara wijdt de compositie aan zijn verloofde Suzanne (later zijn vrouw).

De uitvoering door Lucienne Delyle was het eerste grote succes, en werd vervolgens gecoverd door veel zangers.

In 1980 gebruikte François Truffaut het in zijn film Le Dernier Métro , evenals Claude Miller in La Petite Voleuse. Het wordt ook gespeeld in de aftiteling van Jean-Loup Hubert's The White Queen.

Tekst: Mon amant de Saint-Jean

Je ne sais pas pourquoi j'allais danser
A Saint-Jean, au musette,
Mais quand un gars m'a pris un baiser,
J'ai frisonné, j'étais chippée.

Refrain :
Comment ne pas perdre la tête,
Serrée par des bras audacieux
Car l'on croit toujours aux doux mots d'amour
Quand ils sont dits avec les yeux.
Moi, qui l'aimais tant,
Je le trouvais le plus beau de Saint-Jean,
Je restais grisée sans volonté sous ses baisers.

Sans plus réfléchir, je lui donnais
Le meilleur de mon être,
Beau parleur, chaque fois qu'il mentait,
Je le savais, mais, je l'aimais.

Refrain

Mais hélas, à Saint-Jean comme ailleurs,
Un serment n'est qu'un leurre,
J'étais folle de croire au bonheur,
Et de vouloir garder son coeur.

Refrain :
Comment ne pas perdre la tête,
Serrée par des bras audacieux,
Car l'on croit toujours aux doux mots d'amour
Quand ils ont dits avec les yeux.
Moi, qui l'aimais tant,

Mon bel amour, mon amant de Saint-Jean,
Il ne m'aime plus, c'est du passé, n'en parlons plus.

X38%20Mon%20amant

Tekst: Mon amant de Saint-Jean - Nederlandse vertaling

Ik weet niet waarom ik ben gegaan
naar de dans in Saint-Jean,
maar een enkele kus was genoeg
om mijn hart te verstrikken.

(refrein:)

Hoe zou ik mijn verstand hebben gehouden
Geboeid door gedurfde armen
omdat liefdevolle woorden altijd worden geloofd
wanneer de ogen het woord doen.
En ik hield zo van hem
voor mij was hij de knapste in Saint-Jean,
Ik was opgewonden,
eenvoudig geleid
door zijn kussen.
Zonder een moment na te denken gaf ik me aan hem over
en gaf het beste van mezelf.
Elke keer dat hij zo soepel loog,
Ik wist het, maar ik hield van hem.

(koor)

Maar helaas, in Saint-Jean en overal elders
is een trouwbelofte maar een lokaas.
Ik was een dwaas om in geluk te geloven
en probeer in zijn hart te blijven.
Hoe zou ik mijn verstand hebben gehouden
Geboeid door gedurfde armen
omdat liefdevolle woorden altijd worden geloofd
wanneer de ogen het woord doen.
En ik hield zo van hem
Mijn lieve liefde, mijn geliefde uit Saint-Jean,
zijn liefde is weg,
Het is allemaal over,
genoeg gezegd (x2)

 

{{ message }}

{{ 'Comments are closed.' | trans }}